Ket get. Ket get zeit’n boer, en ie gavet were.
Een jonge patattenboer uit Zuid-West-Vlaanderen worstelt met het verlies van zijn vader. De velden zijn nu zijn verantwoordelijkheid. Maar boeren is niet meer gewoon boeren. Het is boven water blijven. ‘Ik geraak niet er niet meer aan uit. Moa ja, das tleven. C’est la vie. En in dat leven zijn er twee soorten mensen: helden en buitenstaanders. Wat en wie ben ik eigenlijk?’
‘Ket Get.’ graaft in eigen wortels, maar om die te bereiken moet hij diep gaan. Heel diep. Voorbij het patattenveld, langs de broeikasgassen die ijskappen laten smelten, voorbij de Pringels-chipsfabrikant. Tot een vijfjarig vluchtelingenmeisje aan de kant van de weg hem bij de keel grijpt.
De voorstelling wordt 2 keer gespeeld: